Winnaars en verliezers bij noodhulp Nepal

 

Noodhulp door World Food Program in Rasuwa District (foto Lucia de Vries)

Op 25 april 2015 beefde de aarde zo hard dat Uma uit haar huis rende. Ze was op tijd buiten maar toen de woning instortte, kreeg ze toch een muur op haar been. Haar vader haalde haar uit het puin, waarna een drie dagen durende helletocht begon. Eerste etappe: naar een weg en een voertuig. Met een doek rond haar open breuk werd Uma naar de weg gedragen. Om de pijn te stillen nam ze drie slaappillen. Onderweg moesten ze nog even halt houden door een naschok.

Eenmaal in het ziekenhuis bleek hulp niet voorhanden. ‘Overal lagen mensen die dringend hulp nodig hadden. Toen ik eindelijk een verpleegster vond die me kon helpen om de doek door een verband te vervangen zei ze dat ik hier niet geopereerd kon worden.’ Pas twee dagen na haar beenbreuk vindt Uma een chirurg die kan helpen. Hij zegt dat het een amputatie zal worden, wat haar nog meer in shock brengt. Net als Uma op de operatietafel ligt, been omhoog, beeft de aarde opnieuw. De dokters lopen naar buiten en later haar alleen achter, in een ziekenhuis dat trilt.

Ikzelf en fotograaf Tim Dirven houden een hand voor de half opengevallen mond, maar Uma vertelt haar verhaal zonder veel emotie. Ze kijkt soms even weg en ze lacht wat zenuwachtig, maar ze houdt zich ongelooflijk sterk voor iemand die zoiets heeft meegemaakt. Haar ouders staan naast haar en ze vertelt rustig verder: ‘Als ik drie dagen na de amputatie eindelijk bezoek van mijn ouders mocht ontvangen hield ik mij sterk. Maar ’s nachts weende ik. Ik was ervan overtuigd dat ik heel mijn leven in een bed zou doorbrengen, dat mijn leven voortaan zinloos was.’ Meteen na de amputatie vertelden mensen van Handicap International dat herstel mogelijk was, maar Uma geloofde het niet. Tot er een verpleegster met niet één maar twee prothesebenen haar kwam bezoeken. ‘Vanaf dan had ik terug hoop. Zij inspireerde me. Ik ben al twee keer opnieuw naar het ziekenhuis geweest om haar te zoeken en te bedanken, maar ik heb ze nog niet gevonden.’ Ondertussen, zes maand na de aardbeving, is Uma zelf een bron van inspiratie. Als je niet weet dat ze een prothese heeft, kun je het amper aan haar tred raden. Na een maand ziekenhuis leefde Uma een maand in haar eigen ‘huis’ – een bescheiden shelter naast haar ingestorte huis. Drie keer per week kwam een kinesist van Handicap International langs om haar te helpen met de revalidatie. De spieren aan haar wonden kregen een massage, de wonde werd verzorgd en dankzij oefeningen kon het been herstellen. Dat is de eerste voorwaarde om met een prothese te kunnen lopen. Na een tijdje thuisverpleging verhuisde Uma naar een opvangplaats – naast het revalidatiecentrum van Handicap International – waar ze een prothese kreeg en dagelijks haar oefeningen kon doen. Ook nu krijgt ze nog twee keer per maand een follow-upbezoek.

Uma pikte haar studies weer op, legde haar eindexamen in de fysische wetenschappen af en is nu aan het studeren voor haar ingangsexamen bachelor in de computerwetenschappen (waar in heel Nepal slechts 500 plaatsen voor zijn). Ze spreekt vloeiend Engels, lacht regelmatig en als ik haar vraag wat haar levensdroom is zegt ze: ‘Zorgen dat mijn ouders gelukkig zijn. En andere gehandicapten inspireren, zoals die verpleegster mij inspireerde.’

Sporen van verwoesting in Rasuwa district (foto Lucia de Vries)

Uma’s verhaal is slechts een van de meer inspirerende die ik in oktober 2015 verzamelde, in opdracht van MO* magazine. Samen met een team van de VRT, l’Avenir, 12-12 en fotograaf Tim Dirven namen we een half jaar na de zware aardbevingen poolshoogte bij de Nepalezen. Naast het optekenen van persoonlijke verhalen wou ik ook weten wat de noodhulpvariant van ontwikkelingshulp met Nepal en de Nepalezen doet. Wie wint erbij? Wie verliest? Wat blijft er over als de schijnwerpers en camera’s weg zijn? De Belgen gaven bijna 6 miljoen euro na de aardbeving aan 12-12, maar wat gebeurde er met dat geld? Was de besteding efficiënt? Was de hulp ook effectief? Maar vóór we jullie vrijwillige giften stroomopwaarts volgen, moet ik nog iets kwijt over de niet-vrijwillige giften die elke Belg via zijn belastingen aan Nepal gaf.

In de nasleep van de aardbeving kreeg vooral het B-FAST-debacle veel media-aandacht. Wat minder geweten is, is dat een groot deel van die media-aandacht een politiek steekspel met verborgen agenda’s was. De vrijwilligers die zich voor B-FAST inzetten én voor de Nepalese slachtoffers werden de dupe van de ene politieke blunder na de andere, met een hoofdrol voor het kabinet van onze minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders. Wat volgt is de onofficiële versie van de officiële hulp.

Op zaterdag 25 april, 6.41 uur Belgische tijd, schud een zware aardbeving Nepal door elkaar. Nog in de voormiddag komt de vraag voor hulp binnen bij de instellingen. De snelheid waarmee interventies vanaf dan moeten gebeuren kent Europese normen: beslissen binnen de 2 uur en vertrekken binnen de 6 uur. In België duurt het een hele dag voor de beslissing valt. Ons vliegtuig met B-FAST stijgt 38 uur na de ramp op. Dat we pas 82 uur na de ramp in Nepal waren, had ook met andere zaken te maken. Maar echt fast zijn we zeker niet ter plaatse. Met het gevolg dat we een team stuurden om mensen uit het puin te halen, een team dat pas aankwam als die activiteit amper nog zin had.

Cruciale beslissing: in tegenstelling tot vorige missies ging er deze keer geen veldhospitaal mee. Minister Didier Reynders zei in het parlement dat er consensus bij de experts was, maar verschillende experts weigerden om het advies te tekenen. Vele deskundigen vinden het logischer dat landen uit de regio (die snel ter plaatse kunnen zijn) de zoekteams sturen, en dat wij zorgen voor een veldhospitaal. Dat vond de Nepalese overheid ook: vrij snel begon ze op het vliegveld van Kathmandu voorrang te geven aan vliegtuigen die medische en humanitaire hulp kwamen brengen, in plaats van snuffelhonden. Dat was dan ook de reden waarom ons al laat arriverende vliegtuig nog omgeleid werd en moest wachten om te mogen landen in Kathmandu.

In de praktijk bleek dat de experts die weigerden het besluit te tekenen ook gelijk kregen. De enige efficiënte hulp bestond erin om een veldhospitaal en hulpgoederen te zenden. Didier Reynders beweerde in het parlement dat hij enkel stuurde wat de Nepalese overheid gevraagd had. Dat klopt niet. Op 25 april 2015, de dag van de aardbeving zelf, stuurde de Nepalese ambassade in Brussel een brief naar de Humanitarian Aid and Civil Protection Department van de Europese Commissie (ECHO) die het bericht naar alle landen van de EU doorstuurde, inclusief België. In die brief staat: ‘Voor de onmiddellijke hulp aan slachtoffers identificeerde de overheid de meest dringende noden. Deze zijn: dekens, eten, drinkwater, tenten, medicijnen, eerstehulpmaterialen.’ Zaken die deel uit maken van een veldhospitaal. Voor deze brief openbaar werd zei onze minister van Buitenlandse Zaken altijd dat Nepal een search team gevraagd had. Het woord ‘search’ staat zelfs niet in de brief. ‘Relief’ komt er wél voortdurend in terug en daarmee doelt men op de humanitaire hulp die we niet stuurden. Er werd dus niet alleen geblunderd, er werd ook niet goed geluisterd naar de noden. Zelfs toen de brief met de hulpvraag publiek werd, bleef de minister volharden in de boosheid.

Kinderen poseren voor hun noodschooltje in Dunche (foto Lucia de Vries)

In de nasleep van het B-FAST-debacle vraagt Kamerlid voor de sp.a Dirk Van de Maelen om een evaluatie van de Nepalmissie. De regering besluit om de blunder te verdoezelen en verzoekt om een algemene doorlichting van B-FAST. In november, een dik half jaar na de aardbeving in Nepal en het uitrukken van B-FAST, krijgt de regering een externe audit van 69 pagina’s over B-FAST voorgeschoteld. Die is blijkbaar erg moeilijk verteerbaar. De bespreking ervan werd eerst naar januari en dan naar april verschoven. Ik kreeg de audit – die de geflopte missie in een heel ander daglicht zet – in januari al in handen.

De audit is van menig dat extra budgettaire inspanningen nodig zijn om het potentieel van B-FAST te benutten. Er is sprake van een structurele onderbezetting. Het KB van 28 februari 2003 voorziet een vaste staf van drie mensen, in de praktijk gaat het om één persoon. Het is een politieke keuze om daar niet het nodige geld in te steken voor een goede werking. Daar komen veel andere problemen uit voort. Bij de bedreigingen stipt de audit de ‘evoluerende politieke context waarin steun voor B-FAST zou verwateren’ aan. Openlijk N-VA-gezinde artsen laten het inderdaad niet na het Nepaldebacle te misbruiken en in de pers vraagtekens te zetten achter het nut van uitgaven aan deze vorm van buitenlandse noodhulp. Zo suggereert Louis Ide, algemeen secretaris van de N-VA en arts, dat die middelen beter voor binnenlandse hulp ingezet zouden worden. De audit doet eerder het omgekeerde: het rapport stelt na een grondige doorlichting investeringen voor die de werking efficiënter en effectiever zouden maken. De audit weerlegt ook de moddercampagne van N-VA-artsen tegen sp.a-verpleger Geert Gijs.

De audit noemt bewust geen namen, maar de aandachtige lezer spot meteen de politieke bommetjes. De auteurs stellen vast dat er ‘een gebrek aan wil tot compromis’ is en dat er vooral ‘te veel unilaterale beslissingen worden genomen, zonder consultatie met andere departementen.’ En hier worden er wél namen van ministeries genoemd: ‘De operationele departementen zijn van mening dat het departement BuZa (Buitenlandse Zaken) de faciliterende rol van het B-FAST-secretariaat overstijgt en onterecht eenzijdige beslissingen neemt zonder daartoe de relevante competenties en inzichten van de andere departementen te respecteren en benutten.’

In de pers fulmineert Luc Beaucourt – een arts van N-VA-signatuur – dat Geert Gijs – een verpleger van sp.a-signatuur – een dictator is die te veel aan de touwtjes trekt. NVA-secretaris en arts Louis Ide doet net hetzelfde, maar uit de audit blijkt dat de mensen die de taak van B-FAST uitvoeren juist het tegenovergestelde denken: dat het kabinet van Didier Reynders het laken naar zich toe trekt. Geert Gijs werkt voor het ministerie Volksgezondheid, een van de zes ministeries die betrokken zijn bij B-FAST.

Didier Reynders blijft wel publiekelijk beweren dat de missie naar Nepal geslaagd was. De audit stelt echter letterlijk: ‘Een niet of minder succesvolle B-FAST-missie [de Nepalmissie in 2015] kan leiden tot een negatieve perceptie en één slechte operatie kan de totale beeldvorming sterk beïnvloeden.’ En die slechte beeldvorming komt deze besparingsregering goed uit, het schept de voorwaarden om het mes in de buitenlandse hulp te zetten.

Het politieke conflict bij B-FAST is daarmee duidelijk. Het is een conflict tussen N-VA-artsen die staan te popelen om te bezuinigen en een sp.a-verpleger die vooral de medische noden van slachtoffers van rampen in gedachten heeft. Ergens daartussen heb je een liegende MR-minister van Buitenlandse Zaken met een groot ego en een zwak voor besparingen en een Open-Vld-minister die verveeld zit met het geklungel van een lid van de liberale familie en de regering, maar de oppositie geen nieuwe episode ‘kibbelkabinet’ gunt.

Uit goede bron weet ik dat Maggie De Block haar volle steun verleent aan Geert Gijs, haar ambtenaar in het B-FAST-team. Ook de mensen die voor B-FAST werken, kwamen met een open brief naar buiten om hun steun te uiten aan de verpleger. Maar de al dan niet uitgesproken deal lijkt te zijn dat Gijs de vuile was van het kabinet Reynders – toch nog steeds uit de politieke familie van De Block – niet in de pers zal buiten hangen.

Dirk Van der Maelen trekt als les uit het hele debacle dat de bevoegdheid van B-FAST beter onder de eerste minister zou vallen. ‘Dat is voor binnenlandse rampen nu al het geval en dat zou de strubbelingen tussen de verschillende kabinetten in de toekomst kunnen overstijgen.’ De reactie op het Nepaldebacle is dan ook erg verschillend. De N-VA wil het geld liever aan binnenlandse zaken besteden, de sp.a wil een upgrade van B-FAST om dit soort debacles te voorkomen. Dat is in essentie de politieke keuze die gemaakt moet worden.

Van overheid tot overheid is gelukkig maar een van de vele vormen van noodhulp. Als burger zijn er minstens vijf verschillende manieren om op een ramp als deze te reageren. Twee dagen na de ramp publiceerde ik mijn tips op http://www.mo.be. Samengevat kwam dat hier op neer:

  1. Steun nu de professionele hulpverleners. (Zij wisten dat er een zware aardbeving zou gebeuren, ze hebben rampenplannen en een professioneel team dat het terrein en de situatie kent. Er zijn noodhulporganisaties zoals het Rode Kruis en er is de noodoproep die 12-12 lanceerde.)
  2. Zoek een betrouwbare vzw met stevige lokale wortels. (Hier durfde ik de zelf opgericht vzw Chautaara vernoemen omdat ik noch mijn vrienden daar enig financieel baat bij hebben. Maar ook Shangrila Home en CPCS noemde ik bij naam, omdat ik daar zeker ben dat ze het nodig hebben én het goed zullen besteden, gezien hun bewezen prestaties op het terrein.)
  3. Organiseer een benefietactie.
  4. Inzamelen voor gevorderden. Enkel aan te raden als je heel goede contacten ter plekke hebt die weten wat nodig is en zekerheid over de manier van levering. (Dit soort hulp gaat heel vaak fout. Batterijopladers die niet op de Nepalese stopcontacten passen, medicijnen die onze diarree maar niet de hunne aanpakken … Ook de douane is een horde en de eerlijke verdeling is twijfelachtig. Kortom: dit is een piste waar de problemen meestal onderschat worden door welwillende mensen.)
  5. Praat er over. (Morgen is Nepal geen voorpaginanieuws meer en volgende week lijkt het al lang geleden. Tenzij jij daar iets aan doet. Zo snel als de persaandacht er kwam, zo snel zal die weer weg gaan – maar er is nog geld nodig voor jaren. Praten is wat de hulp op gang houdt.)

Noodhulp wordt grootschalig ingezet na de aardbeving (foto Lucia de Vries)

Een klein half jaar na die oproep om op de ene of de andere manier iets te doen mag ik in opdracht van MO* naar Nepal reizen om te evalueren wat er nu van die hulp in huis is gekomen, meer specifiek de professionele hulp. Vlak voor het vertrek praat ik met Erik Todts, de directeur van 12-12. Dat is het consortium van noodhulporganisaties die in België de inzameling bij het grote publiek organiseert en het geld aan Unicef België, Handicap International, Plan België, Oxfam-Solidariteit, Dokters van de Wereld en Caritas International geeft. Ik wil van Erik weten hoe de eerste reis van de noodhulpgiften er uit ziet: van gulle gever tot professionele organisatie in Nepal. Hoe beslist men bijvoorbeeld wie wat krijgt? Erik: ‘In de jaren tachtig zaten we nog in het verzuilde ngo-landschap en de evenwichten daarbinnen bepaalden in sterke mate de verdeelsleutel.’ Nu baseert 12-12 zich op de giften en legaten die de organisaties jaarlijks krijgen – gelijkaardig aan wat ze in Nederland doen. Ik zeg Erik dat het wel opvalt dat ten tijde van de tsunami 10 procent van het totaalbedrag rechtstreeks bij de leden kwam en 90% bij 12-12, maar na Haïti steeg het deel dat rechtstreeks naar de leden ging en na de aardbeving in Nepal was het bijna gelijk verdeeld. Erik maakt zich daar geen grote zorgen over. ‘Wat uiteindelijk telt, is hoe je de totale koek kunt vergroten. Consortium 12-12 en zijn leden zijn geen communicerende vaten, ze versterken elkaar.’ Iets gevoeliger is de vraag hoe goed 12-12 het doet in vergelijking met de buurlanden. Erik heeft het over grotere landen die dus professioneler te werk gaan en benadrukt dat je moet kijken naar het bedrag per capita. Maar dan nog zie je dat Nederlanders per capita twee keer meer geven dan Belgen. Tot zover het Belgische cliché dat de Hollanders gierig zijn.

De beslissing om voor ramp X een noodoproep te plaatsen gebeurt op basis van drie elementen: doden, meerwaarde en draagvlak. De ramp moet voldoende dodelijk zijn om de noodhulpmachine in gang te zetten, wat niet altijd duidelijk is in de eerste uren na de ramp. De kansen om een meerwaarde te bieden in het getroffen land moeten groot zijn, waarbij er een groot verschil is tussen een ramp in Nepal of een ramp in Japan. Tenslotte moet er een draagvlak in België zijn om de portefeuille boven te halen. Je kunt een vraag tot noodhulp niet elke maand stellen. Choose your battles. Ik vraag Erik om even terug te gaan naar 25 april 2015: hoe werd beslist om de machine in gang te zetten? Erik: ‘Ik las via nieuwssites dat er een grote aardbeving in Nepal was en begon meteen onze lidorganisaties en mijn collega’s in onze buurlanden te bellen. De volgende dag, 26 april, vond een Skype-overleg plaats en peilde ik bij de VRT. Een voorwaarde voor elke noodoproep is dat de openbare omroep mee doet.’ En dan hakken jullie de knoop door, begint een campagne van scratch, komt het geld binnen en sluizen jullie door naar de organisaties op het terrein, volgens de al afgesproken verdeelsleutel. Wie controleert daarna wat er met het geld gebeurt? ‘Dat is de verantwoordelijkheid van onze leden, die zelf beslissen hoe ze die noodhulp besteden. Wij controleren op voorhand de degelijkheid van hun organisatie, niet de concrete programma’s. Wat we wél doen, is journalisten stimuleren om ter plekke de projecten te bezoeken. Wat onze leden precies doen, ontdek je dan wel als je ter plekke bent.’ Op 6 oktober stap ik in een vliegtuig naar Nepal, de stroom van al die gulle giften volgend

Ter plekke wandel ik langs de tent van Kul en Pemeya, in hartje Kathmandu. Nadat een tweede zware aardbeving in enkele weken tijd hun leven compleet overhoophaalde, zochten ze hier hun toevlucht. Kul Bahadur Tamang (61) en Pemeya Tamang (61) blikken terug op de noodlottige dag 25 april 2015 – en op de internationale hulp waarop ze sindsdien konden rekenen.

‘Ons huis stond onderaan een kloof. De landverschuivingen kwamen langs beide kanten naar beneden’, zegt Kul. ‘Door al het stof in de lucht zagen we geen hand voor onze ogen. De aarde schudde zo hard dat alle tweehonderd huizen in onze buurt vernietigd werden. Zeven dorpelingen zijn omgekomen. De eerste nacht sliep iedereen dicht tegen elkaar aan, in het midden van een maïsveld, zonder dekens of matten.’ Kul woonde in Dhading District, in een gehucht dat maar een paar kilometer van Barpak ligt, het epicentrum van de aardbeving. Pas twee dagen na de aardbeving vonden ze in het puin een voorraad bloem om pap te maken.

Op 12 mei 2015, toen een tweede zware aardbeving Nepal trof, zaten ze nog steeds op dat maïsveld. De hulp raakte niet tot bij hen, hun dorp was door de landverschuivingen van de buitenwereld afgesloten. Om te overleven moesten ze wegtrekken. Met tranen in de ogen vertelt Pemeya over haar angst tijdens de tocht van het dorp naar de districtshoofdstad. Die duurde vijf dagen. Te voet. In ‘normale’ omstandigheden is het pad al geen optie voor mensen met hoogtevrees. Door de vernielingen onderweg bleek de tocht nog moeilijker. Kul en Pemeya vochten zich een weg doorheen de modder, naast een gapende afgrond. Pemeya was zo bang dat ze vaak op handen en knieën ging zitten, de ogen gesloten.

‘Toen we in de hoofdplaats van het district kwamen,’ vervolgt Kul, ‘bleken er al duizenden mensen uit de omgeving te zijn. We dachten een plaats in een tentenkamp te vinden, maar die was er niet meer. Dan hoorden we dat er in Kathmandu een tentenkamp opende en dat grote ngo’s daar al actief waren.’

Child Friendly Spaces, gerund door Unicef en Umbrella Foundation, helpen kinderen hun trauma te verwerken (foto Lucia de Vries)

Het tentenkamp dat nu door Unicef gerund wordt, is spontaan ontstaan. Mensen namen een groot stuk braakliggend grond naast een vijfsterrenhotel in. De eigenaar stond dit oogluikend toe. De organisatie Artsen zonder Grenzen zorgde voor proper water en sanitair. Later nam Unicef de leiding over en groeide het kamp uit tot een onderkomen voor 8000 inwoners. Unicef waakt erover dat er een plek is waar kinderen veilig kunnen spelen en leren, dat zo veel mogelijk kinderen in de buurt naar school kunnen gaan en dat er medische hulp, drinkwater, toiletten en wasplaatsen voorhanden zijn.

Kul en Pemeya delen een tent met een matje op de grond, een muggennet, wat kleren, een vuurtje en materiaal om mandjes te vlechten en te verkopen. Veel meer is er niet, al kreeg Kul ook een klein zonnepaneel van een hulporganisatie. De landverschuivingen die het thuisdorp van Kul en Pemeya troffen, blijven een half jaar later nog voor problemen zorgen. Niet alleen verhinderen ze dat er hulp kan aankomen in het dorp, ze vormen ook een enorme mentale barrière om ooit terug te keren. Pemeya zegt dat ze niet terug wil zolang de landverschuivingen niet opgeruimd zijn. Ze plannen zo lang mogelijk in het tentenkamp te blijven. Een lokale organisatie kwam hen opzoeken en legde uit hoe je met plastic draden ballen en mandjes kunt vlechten die de toeristen graag kopen.

Kul koopt nu zelf het materiaal, vlecht de draden aan elkaar en de organisatie komt ze bij hem opkopen. Ik koop een balletje, bekijk het vlechtwerk en vraag me af of Kul ook de rafels van zijn leven in elkaar gevlochten zal krijgen.

Ondertussen proberen wij de rafels van onze reis aan elkaar te vlechten. Door de problemen in het zuiden van het land (zie volgend hoofdstuk) komt er al wekenlang amper nog benzine binnen en de chauffeur die voorzien was, belt de avond voor het vertrek naar de dorpen af. Op dat moment ben je blij dat je met een team van de VRT op stap bent. De omroep kent hier nog een chauffeur die over voldoende brandstof beschikt. Zo slagen we er alsnog in om buiten de ‘bubble’ van Kathmandu te geraken. De jeep neemt eerst de hoofdweg naar China en dan een kleinere weg naar de hoofdstad van het zwaarst getroffen district. Langs ambachtelijk uitgehouwen modderstroken en riviertjes bereiken we uiteindelijk een zwaar getroffen dorp.

Daar vind ik onder een pomeloboom tussen twee ruïnes en een barak een oude man triest te wezen. Bim vertelt dat z’n zoon en dochters in Kathmandu zijn en hem niet helpen, maar dat hij daar niet op wacht. Een maand nadat hij alles verloor, had hij zelfs de 15.000 roepie (130 euro) directe noodhulp van de overheid nog niet gekregen. Die noodhulp is bedoeld voor iedereen die zijn huis verloor. Toen besloot hij om ter plaatse geld te lenen: 40.000 roepie min 10 procent kosten. En nu moet hij nog 29 procent intrest per jaar betalen. Dat komt neer op een vierde van het gemiddelde inkomen in deze regio.

Of hij dan geen alternatief had? Ja, de lokale coöperatie. Maar daar moet je binnen de drie maand terugbetalen, wat gezien de omstandigheden onmogelijk is. Zijn buffel stierf in de aardbeving en toen hij eindelijk de 15.000 roepie eerste hulp kreeg, kocht hij meteen een nieuwe buffel om zijn land te kunnen bewerken. Ik vraag hoe hij de lening denkt terug te betalen. Bim hoopt op de 2.000 dollar die de overheid beloofde aan iedereen die zijn huis kwijt is. Niemand in Nepal heeft dat geld al gekregen, omdat de overheid de nodige wetten nog niet stemde. En als dat geld niet komt en hij niet kan betalen? Dan sleept de lokale geldschieter hem voor het gerecht en verliest hij zijn land. Wat rest zijn de sloppenwijken van Kathmandu, of erger.

Helaas zou het goed kunnen dat die 2.000 dollar – die uit de pot van 4 miljard moet komen die de internationale gemeenschap toegezegd heeft – nooit bij Bim raakt. De Nepalese overheid spreekt al van een herevaluatie om te kijken wie er al op eigen kracht een huis bouwde, waarna die mensen uit de boot zouden vallen. Het is een verhaal dat we vaker horen: de armsten zijn het gewoon om niets van de overheid te verwachten, ze steken zelf de handen uit de mouwen. De rijkste mensen met meerdere huizen wachten rustig de beloofde 2.000 dollar af.

Bim denkt niet dat hij ooit nog een ander huis zal bouwen. Hij voelt zich veiliger in zijn nieuwe woning, hoe klein die barak ook is. ‘Als dit instort, denk ik dat de tinnen daken en dunne balken me niet zullen doden en ik me uit het puin nog kan bevrijden.’ Of hij even makkelijk het deksel van de schuld zal kunnen lichten is een andere vraag. De cash for work-programma’s, die Plan International uitvouwt, zijn een van de weinige kansen om nu geld te verdienen. Zo’n programma duurt dertig werkdagen en per werkdag krijgt de arbeidskracht 500 roepie, dus 15.000 in totaal (ongeveer 130 euro). Het betreft eenvoudige handarbeid die overal nodig is en blijft. Wat verder bezochten we een school waar een groep van twintig mensen puin aan het ruimen was. Bim had zich in een andere groep ingezet om de wegen opnieuw vrij te maken, maar het aantal van die maandprogramma’s is beperkt.

Er is ook kritiek op die cash for work-programma’s. Zo zegt dokter Wilko Verbakel, van de ervaren Nederlandse organisatie ICFON (International Council Friends of Nepal) dat UNDP – het VN-orgaan dat aan ontwikkelingshulp doet – ‘helaas geen rekening hield met landbouwwerkzaamheden en oogsten zodat mensen liever gingen werken voor 500 roepie dan voor hun eigen landbouwactiviteiten te zorgen. Zo werd er minder geoogst dan normaal (ook de hagelstormen verwoestten een deel van de oogst) en moet de internationale gemeenschap langer zorgen voor voedselhulp.’

Positief is wel dat wij in de school vrouwen en mannen samen aan het werk zagen. Ze deden dezelfde zware arbeid en kregen er, vrij uniek in Nepal, ook hetzelfde loon voor. Terwijl de overheid het laat afweten, geven de grote ngo’s kansen. Mensen lijken die kansen met beide handen aan te grijpen. Teamleiders zeggen dat de vraag om deel te nemen veel hoger is dan het aanbod. Dat aanbod, dat zijn wij die geld geven.

Door Nick Meynen

Dit hoofdstuk werd eerder gepubliceerd in “Nepal. Nieuwe wegen in de Himalaya” (2016, EPO) 3e en herziene editie. Voor meer informatie kijk hier. Nick Meynen’s nieuwste boek heet ‘Frontlijnen, een reis langs de achterkant van de wereldeconomie’. 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s